De orgels van de Oude Kerk
U hoort een fragment van 'Malle Sijmen' van J.P. Sweelinck, gespeeld door Matteo Imbruno

In de kerk bevinden zich twee wereldberoemde orgels, waarvan de grootste nog in originele staat is. 
De Oude Kerk heeft een lange en eerbiedwaardige orgeltraditie. Al in de vijftiende eeuw hing tegen de westwand van het schip (de torenmuur) een orgel. In 1539 kwam er een nieuw instrument. Op dat orgel speelde de beroemde Jan Pieterszoon Sweelinck tussen 1577 en 1621. Het zou, met enkele aanpassingen en verbouwingen, blijven bestaan tot 1724. In dat jaar gaven de kerkmeesters van de Oude Kerk opdracht aan de Hamburgse orgelbouwer Christian Vater voor een heel nieuw orgel op dezelfde plaats. 

Het Vater Müllerorgel 
Vater voltooide dit orgel in 1726, en de keurmeesters waren bijzonder tevreden: het instrument was 'bij uitnemenheid loflik en uitmuntend'. Niet lang daarna werd het orgel verbouwd. In 1738 begon de toren namelijk te verzakken. Voor herstelwerkzaamheden moest het worden gedemonteerd. Na het herstel van de toren kreeg Caspar Müller opdracht het orgel te herplaatsen. En Müller herplaatste het niet alleen, hij veranderde het ingrijpend. Kennelijk was men toch nog niet tevreden met het werk van Vater. Immers Müller beloofde dat het orgel na zijn verbouwing 'prompte en force zal spreken, dat 't onder de kerkdienst (= tijdens het zingen) kan gehoort worden'. Het orgel werd dus luider, met een meer dragende klank, zodat het de kerkzang beter kon begeleiden.
Maar misschien is er nog een ander aspect. Als we over orgels spreken is 1738 een opvallend jaartal. In dat jaar voltooide Christian Müller de Haarlemse Bavo, een weergaloos instrument  dat, tot op de dag van vandaag een van de beroemdste orgels ter wereld is. Tegen de 60 registers staken de 45 van de Oude Kerk misschien wat mager af. Ongetwijfeld moeten we daarom de verbouwing en vergroting door Johann Caspar Müller (wellicht een neef van Christian) van het Oude Kerkorgel als een antwoord opvatten op het Haarlemse instrument. Het orgel van Vater en Müller zou tot 1869 in grote lijnen ongewijzigd blijven, toen G.F.H. Witte het moderniseerde. De smaak van de tijd vroeg om een minder scherpe, rondere klank. Opnieuw werd aan de pijpen en de inrichting gesleuteld. Het is niet overdreven te stellen dat het orgel, voor de tweede keer een nieuw aanschijn kreeg. Dat gebeurde trouwens met gebruikmaking van het oude materiaal. Witte veranderde de klank, maar er ging nauwelijks oud materiaal verloren. Sinds de verbouwing door Witte is het orgel niet meer gewijzigd. 
Het Oude Kerkorgel is altijd bewonderd. Het orgel wordt vermeld in het befaamde reisverslag van Charles Burney. Deze Engelsman maakte in de 18e eeuw een Grand Tour door Europa en prees in zijn dagboek het Vater Müller orgel uitbundig. De veranderingen door Witte hebben die roem geen schade gedaan. In tegendeel . Tot op de dag van vandaag trekt het uit alle windstreken orgelliefhebbers van zowel luisteraars als bespelers aan. 

Bovenop het orgel zijn het oude stadszegel van Amsterdam met het koggeschip en het stadswapen met de drie Andreaskruisen aangebracht.  

Het transeptorgel orgelklein.JPG (11696 bytes)

Dit orgel, inmiddels weer voorzien van de middentoon-stemming, stamt in eerste aanleg uit 1658 en is vervaardigd door de beroemde orgelmaker Hans Wolff Schonat. Deze werd in 1614 geboren in Kitzingen am Main en is één van de middenduitse orgelmakers die aan aantal nieuwe elementen introduceert in de zeventiende eeuwse ‘Hollandse’ orgelbouw. Het gaat daarbij onder meer om de rijke pedaalbezetting, terwijl ook de klank van de door Schonat gebouwde orgels wellicht meer verfijnd dan volumineus is.

Het kleine orgel in de Oude Kerk te Amsterdam bekleedt een belangrijke plaats in de Nederlandse muziekgeschiedenis. Op grond van de klavierambitus is het vermoeden namelijk gewettigd dat Anthoni van Noordt zijn Tabulatuurboeck van Psalmen en Fantasyen (1659) voor dit orgel heeft geschreven.
In 1821 is het orgel gesloopt en het pijpwerk is daarbij verwerkt in een nieuw orgel voor de Zuiderkerk te Amsterdam. Via de Oosterkerk te Aalten zijn enkele honderden pijpen van het Schonat-orgel uiteindelijk terecht gekomen in de Groene of Willibrordkerk te Oegstgeest,, waar zij sinds 1977 staan opgesteld in een nieuw orgel van de Zwitserse orgelbouwer Metzler.

In de jaren 1964 en 1965 werd in de oude orgelkast, die vanaf 1821 leeg gebleven was, een nieuw orgel gebouwd door de orgelmakers Ahrend & Brunzema uit het oost-Friese Loga, bij Leer. Als adviseur trad Gustav Leonhardt op, terwijl de bouw van het orgel namens de Rijksdienst voor de Monumentenzorg mede werd begeleid door dr. Cor H. Edskes te Groningen. Omdat het niet mogelijk bleek de resterende oude pijpen te verwerven, moest tot algehele nieuwbouw worden besloten. De dispositie werd daarbij ingericht naar de vermelding in de bekende dispositieverzameling van de Goudse Organist Joachim Hess uit 1774. Het orgel werd weer van wind voorzien via drie klassieke spaanbalgen, een bouwwijze die sedert het midden van de negentiende eeuw niet meer was  toegepast.
Het instrument spreidt een grote artistieke en muzikale zeggingskracht ten toon.
Het onderhoud van het orgel werd mogelijk gemaakt door fa. Steenwinkel Kruithof Associates en orgelmakers Henk van Eeken en Jürgen Ahrend. 

Het Kabinetorgel
In zijn dissertatie over het Nederlandse Huisorgel in de zeventiende en achttiende eeuw vermeldt dr A.J. Gierveld het onderhavige orgel als nummer 255. Het orgel is gebouwd in 1767 door de Amsterdamse orgelmaker Deetlef Onderhorst, vermoedelijk voor een particuliere opdrachtgever.
Vanaf 1848 heeft het in het gemeentelijke Oudenliedenhuis aan de Roeterstraat te Amsterdam gestaan. Daarbij waren de buik en kuif van het orgel verwijderd. In 1946 is het orgel gerepareerd door orgelbouwer A. Blik, die tevens een elektrische windvoorziening plaatste. In 1953 werd het plafond van de kerkzaal verlaagd, waarbij het front aan de bovenzijde werd ingekort. Tevens werd het orgel wit geschilderd.
In 1977 is het orgel integraal gerestaureerd door Adema's Kerkorgelbouw uit Landsmeer, waarbij drs J.J. (Hans) van der Harst als adviseur optrad. Daarbij werd onder meer het kabinet hersteld en gecompleteerd en werd de witte verflaag verwijderd. Na de laatste restauratie is het orgel opgesteld in het koor van de Oude Kerk te Amsterdam. 


De orgelmaker Didelof (Deetlef) Onderhorst

Deetlef Onderhorst is in 1715 of 1716 geboren in "Holsteyn", Duitsland. In 1749 trouwt hij in Amsterdam met Trijntje van der Bree, dochter van een lijndraaier. Hij verwerft dan ook het Amsterdamse burgerrecht. Onderhorst heeft op verschillende adressen in Amsterdam gewoond. In 1763 woont hij kort in 's Gravenhage. Het echtpaar Onderhorst heeft een aantal kinderen, die bijna allemaal jong sterven. Het is niet bekend wanneer Onderhorst is overleden.
Onderhorst is een bijzonder goed orgelmaker geweest, die zich voornamelijk op huisorgels heeft toegelegd. Er zijn slechts weinig activiteiten van Onderhorst als kerkorgelbouwer bekend. Gierveld wijst op de overeenkomst tussen de kabinetorgels van Onderhorst en Strümphler en veronderstelt een zekere werkrelatie tussen deze bouwers en ook, zij het minder duidelijk tussen Onderhorst en J.P. Hilgers. Ook wijst Gierveld op enkele details in het werk van Onderhorst, die aan Christiaan Müller doen denken.

Jan Pieterszoon Sweelinck
De beroemdste organist van de Oude Kerk was Sweelinck (1562 - 1621). Hij begon op vijftien jarige leeftijd en bleef hier vierenveertig jaar. Hij bespeelde het orgel voor en na de erediensten en bovendien nog een aantal uren per dag.

Sinds de Reformatie, respectievelijk Alteratie in 1578,  was de organist geen kerkelijke functionaris meer, maar een burgerlijke. Het orgel had geen plaats in de christelijke eredienst van die dagen. De orgels waren dan ook niet eigendom van de Kerk, maar van de stad. Hoewel het niet direct tot zijn taak behoorde speelde Sweelinck af en toe op de banketten van de Burgemeesters en de Magistraten met belangrijke gasten. Hij stond bekend als een groot improvisator.
Sweelinck geldt als één van de belangrijkste grondleggers van de Duitse orgelschool. Zijn faam als organist zorgde ervoor dat vanaf ongeveer 1606 tot na het einde van zijn leven Poolse, Scandinavische, Nederlandse, maar vooral Duitse leerlingen hem in Amsterdam bezochten. Het zijn vooral deze jonge organisten die afschriften van zijn klavierwerken in Europa hebben verspreid. Zelf publiceerde Sweelinck gedurende zijn leven alleen vocale werken.

Sweelinck is nooit verder gereisd dan Antwerpen om een clavecimbel voor de stad te kopen. Toch is zijn oeuvre door diverse nationale stijlen beïnvloed. Het werk van Sweelinck getuigt van grote kennis van de Italiaanse toccatastijl en contrapuntiek en vertoont nauwe verwantschap met de Engelse virginalistenstijl. Kennelijk kon Sweelinck in het Amsterdam van de zestiende en zeventiende eeuw ruimschoots beschikken over werk van zijn tijdgenoten. De synthese tussen diverse nationale stijlen maakt zijn werk uniek.

dispositie van de orgels

de beginpagina van de Oude Kerk

algemene bezoekersinformatie