Oudezijds Kerkhof

 

Rondom de Oude Kerk lag de eerste begraafplaats van Amsterdam. Het werd het Oudezijds Kerkhof genoemd. Men begroef in zgn. holle boomstammen, waarvan een exemplaar tijdens de grote restauratie (1955-1978) in de kerk werd gevonden, op de plek in het Koor waar het altaar heeft gestaan.

De Oude Kerk werd deels gebouwd over de reeds bestaande begraafplaats. Eerder begroef men de doden waarschijnlijk in Ouderkerk aan de Amstel, waar ook de parochiekerk stond.

De begraafplaats stond op een terp, wat een noodzakelijkheid was gezien de klei- en veengrond waarop het kleine vissersdorp aan de Amstel was ontstaan. Uiteraard moet er op dit kerkhof reeds een (houten) kapel hebben gestaan.

de Oude Kerk in 1544

Het kerkhof rond de Oude Kerk werd uiteindelijk in 1655 gesloten. Waarschijnlijk werden alle graven in 1681 geruimd.
Na het sluiten van het Oudezijds kerkhof in 1655 mochten ook minder bedeelden in de kerk worden begraven.

Begraven in de kerk

Van oudsher werden priesters in de kerk begraven, voornamelijk bij het hoofdaltaar of een ander altaar. Al snel volgden burgemeesters, andere stadsbestuurders en rijke kooplieden hun voorbeeld. Hierdoor ontstond het gezegde 'rijke stinkers'. De veenbodem van de kerk werd uitgegraven en na de begraving werd het gat opgevuld met zand. Tussen de grafsteen en de kist ligt derhalve een meter zand. Sommige graven kregen ter versteviging een ommuring.

Na de Alteratie nam de bevolking van Amsterdam sterk toe en dus ook het aantal begrafenissen. Zowel in 1602 als in 1617 werd bevolen, dat er op zondag en tijdens de avonddiensten geen begrafenissen mochten plaatsvinden. In ditzelfde verbod stonden bepalingen over het hout van de doodskisten en over het aanbrengen van nieuw zand bij het ruimen van de graven.

Tussen 1555 en 1614 werden de zerken verkleind, om zodoende meer mensen in de kerk te kunnen begraven. De oude maat was 225cm bij 100cm. De nieuwe maat werd 200cm bij 70cm.

Omdat de doodskisten in de veengrond vergingen zakte het zand onder de zerken weg. Hierdoor moesten de grafstenen regelmatig worden weggehaald om de grond weer op te hogen. In elke steen zit daarom een gat, waarin een soort klauw (wolf) geplaatst kon worden, waaraan met een hefboom de zerk kon worden opgetild. Deze werd dan op houten rollen verplaatst.

De doodgravers waren verantwoordelijk voor het beheer van de graven. Zij maakten aantekeningen hierover in zogenoemde grafboeken. De oudste dateert uit 1523. (Alle grafboeken bevinden zich in het Stadsarchief). Omdat de zerken voor 1640 niet werden genummerd, moesten zij wel goed omschreven worden. De doodgravers handelden ook in oude grafzerken, waardoor een zerk soms terugkeerde op een andere plek, ondersteboven gelegd en met een nieuwe opschrift. Het huis van de grafdelver van de Oude Kerk bevond zich aan de Oudekerksplein nr. 23, het huidige kantoor van de Stichting. Het heeft een deur, die leidt naar de kerk, zodat de overledene de kerk ingedragen kon worden.

Tot 1865 werd er in de Oude Kerk begraven. Het laatste graf is van Andreas Joannes Althof. Hij werd begraven op 20 november 1865 in de Zuiderzijbeuk nr. 344.


In februari 2008 werd begonnen met de restauratie van de gehele zerkenvloer. Deze restauratie kwam gereed op donderdag 12 april 2012.

 

Hiermee komt een eind aan de reeks 'Graf van de maand', een initiatief van Daniel Bras, floormanager van Stichting de Oude Kerk te Amsterdam.




 

Graven op Internet

Een zoektocht naar de levens van Amsterdammers toegedekt door grafstenen in De Oude Kerk van Amsterdam.
Zie www.gravenopinternet.nl