|
Onderstaande tekst is ons ter beschikking gesteld door Hilde van Wijngaarden. De afbeelding toont de handtekening van Barber Jacobs , zij was zeer waarschijnlijk analfabeet zoals de meeste vrouwen in die tijd.
Barber Jacobs is een dochter van Anna Claesdochter en Jacob Pieterszoon, een stuurman. Ze heeft een oudere zus Neel en een jongere broer Pieter. Na de dood van haar vader verhuurt haar moeder een huis in de St. Jansstraat aan makelaar Seger Pieterszoon, de vader van haar echtgenoot Pieter Segerszoon. Pieter is werkzaam als bode in dienst van de stad. Hij moet berichten van burgemeesters en de vroedschap brengen naar alle delen van het land, maar ook naar de Zuidelijke Nederlanden en Duitsland. Barber en Pieter wonen in een woning bij de Sint Nicolaastoren, ten zuiden van de Sint Antonispoort. Deze woning is ter beschikking gesteld door de stad.
In 1576 krijgt Pieter een betrekking als assistent bode bij de Weeskamer. In deze functie houdt hij zich bezig met de organisatie van verkopingen. De Weeskamer is een officieel orgaan van de stad dat erfenissen van weeskinderen in beheer heeft. Wanneer beide ouders zijn overleden wordt de inboedel openbaar verkocht aan de meestbiedende en het hierdoor verkregen geld wordt door de Weeskamer veilig belegd. De openbare inboedelverkopingen bieden handelaren in tweedehands goederen de mogelijkheid handelswaar in te slaan. De verkopingen worden in het huis van de overleden gehouden en worden georganiseerd door de bode en een klerk van de Weeskamer. Hierdoor kreeg Barber via haar man inzicht op de verkoop in tweedehands goederen. Voor medewerkers van het Weeshuis en hun echtgenotes was het verboden hieraan mee te doen. Pas nadat Pieter Segerszoon vanwege de Alteratie als katholiek wordt ontslagen als bode, zal Barber Jacobs begonnen zijn als uitdraagster. Het gezin verhuist naar de St. Jansstraat in de woning genaamd ‘De Oitmoedigen Coninck’, een straat waar veel uitdraagsters wonen en hun winkel hebben. Pieter heeft na zijn ontslag geen officieel beroep meer, hij bezit echter een aanzienlijk vermogen en van de rente kan het gezin behoorlijk leven. Barber en Pieter krijgen zes kinderen, waarvan Pieter, die net als zijn broer Claes, de naam Lastman aanneemt een beroemd schilder wordt (Pieter Lastman was graf van de maand maart 2011). De oudste zoon Jacob trouwt met Grietje Centen en blijft met zijn vrouw in het ouderlijk huis wonen, evenals Seger, die goudsmid is en in 1601 trouwt met Grietje Cornelis.Claes (of Nicolaas) Lastman wordt opgeleid tot graveur en blijft ongehuwd thuis wonen. In 1603 overlijdt Pieter Segerszoon. Vijf jaren later koopt Barber een woning in de Sint Anthoniebreestraat. Ze koopt het van de schilder Jonas van Meerle, een uitstekende plek voor haar inwonende zoon Pieter Lastman. Barber Jacobs overlijdt in 1624, op 7 december 1624 wordt zij begraven in de Oude Kerk. Ze wordt onder het gelui van de klokken van de Ouderkerkstoren naar toe gebracht. Op 19 april 1625 wordt haar inboedel openbaar verkocht. Bij de afwikkeling van de erfenis blijken haar twee inwonende zoons Pieter en Claes Lastman hun moeder respectievelijk 64,- gulden en 21,- gulden kostgeld schuldig te zijn. Ook blijkt dat Barber drie huizen bezit in de St. Jansstraat, een woning in de Taksteeg en het huis in de Sint Antoniebreestraat. Haar totale vermogen bedroeg 22.637,- gulden, een enorm bedrag in die tijd. Pieter Lastman verlaat in mei 1632 de woning en gaat inwonen bij zijn broer Seger in de St. Jansstraat. Op 4 april 1633 wordt hij begraven vanuit ‘De Oitmoedigen Coninck’.
Het beroep van uitdraagster In tegenstelling tot oudecleercopers verhandelden uitdraagsters hun tweedehandsgoederen vaak vanuit hun eigen woning of winkel. Zij kochten deze goederen veelal tijdens openbare verkopingen, die door de Weeskamer werden georganiseerd. Op 6 maart 1501 werd door de stadsregering bepaald, dat uitdraagsters nog maar in enkele straten van Amsterdam mochten wonen en hun beroep mochten uitoefenen. Zij werden verplicht te handelen op en rond de Kolk en aan de oostzijde van de Burgwal, vanaf de brouwer Buninck tot aan de St. Jacobsbrug.
In het Amsterdam van de 16e en de 17e eeuw was het productieproces en de verkoop van goederen streng geregeld door de verschillende gilden. Uitdraagsters waren niet verenigd in een gilde, maar deden wel zaken met leden van de gilden zoals timmerlieden (St. Jozefsgilde) en de kleermakers. Dit leidde verschillende malen tot ernstige berispingen, aangezien deze handel in nieuwe goederen concurrentievervalsing was. De reden, dat wij relatief veel weten over het leven van Barber Jacobs komt mede, doordat haar handel geregistreerd staat in de registers van de inboedelverkopingen van de Weeskamer. De Weeskamer werd geleid door de Weesmeesters (oud-burgemeesters en oud-schepenen), die het bezit van de weeskinderen beheerden en het voogdijschap van de wezen moesten regelen. Het aantal Weeskamer verkopingen varieerden per jaar enorm. In 1597 vonden er 20 verkopingen plaats. In 1602, 242 verkopingen. In het jaar 1604 vonden er helemaal geen openbare verkopingen plaats. Barber Jacobs was van 1592 tot 1624 (het jaar van haar overlijden, op 75 jarige leeftijd) aanwezig bij veel openbare verkopingen. De meeste verkopingen vonden plaats in de maand april, aangezien de huurcontracten in Amsterdam ingingen op 1 mei en afliepen op 30 april.
Uit het archief van de Weeskamer verkopingen komt Barber Jacobs over als een vooraanstaande vrouw, die een respectabel beroep uitoefende. Toch stonden niet alle uitdraagsters goed bekend. Menig uitdraagster kreeg een boete opgelegd vanwege grof taalgebruik en/of handtastelijkheden jegens elkaar.
Uit: Barber Jacobs en andere uitdraagsters. Werkende vrouwen in de 16e en 17eeuw door Hilde van Wijngaarden.
Een foto van een uitdragerij in Amsterdam rond 1904

|