|
Restauratie De Oude Kerk
Graf van de Maand
April 2008
Graf nr. 12 in de Lysbeth Gavenkapel
Dit graf behoort
toe aan Jacop Haasbaert
Hierin liggen begraven:
1. Jacop Haasbaert (datum: 15 - 10 - 1653)
Echtgenoot van Claertje van Tongerlo, woonachtig in de Warmoesstraat
en voor haar huwelijk een buurmeisje van de jonge dichter Vondel.
2. Susanna van Limburgh (datum: 20 - 02 - 1723)
3. Mayke van Limburgh (datum: 05 - 03 - 1723)
4. Elisabeth Haasbaert (datum: 03 - 06 - 1688)
Joost van den Vondel (1587 - 1679) kwam uit een groot gezin.
Hij woonde in de Warmoesstraat in Amsterdam.
Als gevolg van de nauwe contacten die de gezinnen in de buurt
met elkaar onderhielden, werden verschillende huwelijken gesloten
tussen zoons en dochters van de kooplui. Een daarvan was het
huwelijk van het buurmeisje Claertje van Tongerlo en Jacob Haesbaert,
waar de toen 17-jarige Vondel een toepasselijk gedicht schreef.
Het gedicht, dat verscheen onder de titel 'Schriftuerlijck bruylofts
reffereyn'
dateert van 5 juni 1605 en is het oudste gedicht dat van Vondel is
overgeleverd.
„Schriftuerlijck
Bruylofts Reffereyn
op
’t Houwelijck
van
Jacob
Haesbaert
met
Clara
van Tongerlo.
1605,
in Junio.
Verheucht
// o Phœbi jeught // door desen soeten tijdt:
Den Somer door sijn deught//verhoont sijn groene blaren:
t’Geuogeldt
sich vervreught//t’ ghediert in Bosch verblijdt;
t’ Veldt lacht elck toe ver jeught//vliet weg alle bezwaren;
Droefheyt neemt floecx v keer//nijdt//strijdt wilt henenvaren:
Voor ude Bruyloft wijckt, zoo ghy daer comt omtrent.
Cleyn, groot, ja wie t’mach sijn, Jongh’ jeu ght, oft
gryste hairen;
Sijdt well’com int ghemeen, weest ge groet hier present,
Die om vergad’ren hier, v soo ootmoedich kent:
In Liefd’ sticht’lijck verheugld, by een met reyn manieren:
Dus seg ik noch, vliet floecx van hier, ghy nijdich tieren.
Laet jonst begeerich syn, gelijk eers Hirts bestieren,
En d’Haas-baart syn cracht snel, om loope d’Hont
t’ontwijcken,
Snackend’ na t’water Claar-ken cant beter gelijcken?
Geenszins en laet in sangh//Hymenaeus sijn verhooght
Noch Thalassus geclangh//maer Gode lofs voortbringhen
Hoe hij overvloedt schanck//en t’ water gants verdrooght
Sonder yemants bedwangh//bethoond’ zoo vremde dinghen,
Wt t’water, wyn seer claermals een fonteyn deed’ springhen,
Vervult ses cruycken vol, int Galileetsclze landt,
Te Cana in de Stadt, een Brijloft sonderlinghen;
T’eerste teycken Christi, men elck maackte bekandt
Door sulcx ons mercklijk leert, dat int Houwlijckx verbandt
Alleen men eerlijck hoort, te houden goed’geruchten:
Den getrouwden hy meest behoeden sal voor schandt:
Wie hem met lust bemint, en derft voor niemant duchten,
Soo liefd’ begeerich haackt, als t’ Hirt doorsnelt gehuchten
En d’Haas-baart syn cracht snel, om loo pen d’Hont
t’ontwijcken
Snackend na t’water Claar-ken cant beter gelijcken.
Wat
Christus met syn Bruydt//elck-een te kennen gheeft,
Laet ons met goedt beduydt//malcand’ren daer in stichten,
Die hy met zoet geluydt//so vriend’lijck roept beleeft:
Comt overschoone spruydt//die inyn Hert can verlichten!
Mijn peerl’, myn Edel greyn, ter Weyden comt bedichtern
Schoon bloem en Roos int dal, Noeyt minnaer myns ghelijck,
Voor niemant sijt bevreest, Reyn Duyve wilt niet swichten,
Die wtvercoren sijt, myn jonst sonder alwijck
Al-laeghdy hier veracht, int bloet, op t’velt, in slijck,
Vertreden van elck-een, nochtans v niet begeuen,
Maer wiesch v aenschijn schoon, welrieckend met practijck
Batsemd’v zoeten reuck, bouen al waart verheuen
Als ghy schier waart vernielt, myn liefd’vierich ghedreuen
Als d’Haas-baart syn cracht snel, om loo pen d’Hont
ontwijcken
Snackend ’na t’water Claar-ken cant beter gelijcken.
Godts
kercke de Bruyt recht//’t lichaam Christi een paar
Van Christo, haren echt//wert sy salich naar reden,
Seer lieflijck hy beslecht//al haar saacken eerbaar,
Mint, naar reden, en recht//alleen syns lichaams leden,
Die al ter Bruyloftfeest, lieflijck werden ghebeden,
Vercoren vlock alleen, wt goetaardich geslacht,
t’ Bruyloft cleedt zy ontfaan door dezen Vorst vol vreden
Syn Bruydt wordt bouenal, Aldaar waardich geacht
Sittend’ in’ Haar Troon, na de ghenooden wacht,
In witte zijd’ gecleet, met peerlen fraay behanghen.
Een croone sy ontfanght, van den Bruyd’gom gewracht,
Een Trouwrinck haar bedacht, Syns gheests, heeft zy
Hierom spoedt v ter feest begeerich met verlanghen
Als d’Haas-baart syn cracht snel, om loopen d’Hont
t’ontwijcken
Snackend’ na t’water Claar-ken cant beter gelijcken.
Prince
Princen,
de Bruydt present//voor al die sijn vergaardt
Laet ons voor t’slodt end’endt//T’geluck haer
lieflijck bieden;
Dat Godt syn seghen wendt//als Dauidt ons verclaardt,
In syn Psalm maackt bekendt//claarljck voor alle lieden:
Wel die den Heeren vreest, Geluck zal hem geschieden:
In al syn weghen sal verlynen ouervloet,
V wijf sal gheljck sijn, den wijnstock na t’bedieden,
Die vrucht draaght t’synder tijt, sy sal ontfanghen spoet
Aan den Disch, als een croon, v kinders lieflijck zoet:
Als Olijfrankcen schoon, sult ghy se daar aanschouwen,
Met veel weldaden meer, van Godt vercijghen goet:
De Heer geel haar doch cracht, om in Liefd’ niet te flouwen,
Maar Jonst hen voeghe t’saam, begheerich na vreeds douwen
Als de Haas-baart syn cracht snel om loo pen d’Hont
t’ontwijcken
Snackend’ na t’water Claar-ken cant beter ghelijcken.
Liefde
verwinnet al.
Grafsteen 12 is de eerste steen, die onlangs werd gelicht
in verband met de restauratie van de gehele gravenvloer
van De Oude Kerk te Amsterdam.
Gelicht op donderdag 27 maart 2008.
DAG IN DAG UIT
informatie over de voortgang van de restauratie
Restauratie pagina

|