|
De Beeldenstorm in de
Nederlanden In 1566 woedde de Beeldenstorm in de Nederlanden. Tussen 10 augustus en begin oktober 1566 werden in honderden kerken, kapellen, abdijen en kloosters altaren, beelden en retabels, doopvonten, koorgestoelten, predikstoelen en orgels vernield, kelken en cibories vertrapt en schilderijen, kerkelijke gewaden en boeken verscheurd. De mate van succes voor de hysterische mensenmassa"s, gewapend met voorhamers en bijlen, in het "zuiveringsproces" van de katholieke gebouwen werd grotendeels bepaald door de houding van het plaatselijke bestuur, de magistraten. Het stadsbestuur bijvoorbeeld kon er voor kiezen om de schutterij in te zetten om katholieke bezittingen te beschermen; geen actie ondernemen, of ze kon zelf actief worden bij het zuiveren van de kerken. Stadsbesturen en andere lokale overheden konden zo door hun ingrijpen, of juist het uitblijven daarvan, een grote invloed uitoefenen op het plaatselijke verloop van de Beeldenstorm. De probleemstelling van dit onderzoek is gericht op het achterhalen van de uiteindelijke invloed van de beslissingen van lokale overheden op het nationale verloop van de Beeldenstorm. De gebeurtenissen in Amsterdam ten tijde van het ontstaan van de Beeldenstorm werden grotendeels bepaald door de houding van de schutterijen. De Beeldenstorm in Amsterdam werd bestudeerd door Van Nierop. Via de hagenpreken hadden de gereformeerden een brede aanhang bij de Amsterdamse bevolking gekregen, terwijl zowel de centrale overheid als het stadsbestuur niet in staat waren geweest om militair geweld in te schakelen tegen de hagenpreken. Geldgebrek maakte het Margaretha onmogelijk om op landelijk niveau legers van enige omvang op de been te brengen en de Amsterdamse schutterijen spraken zich openlijk uit tegen godsdienstvervolging. De Beeldenstorm kwam niet geheel onverwacht voor het stadsbestuur; de massale belangstelling voor het calvinisme, gecombineerd met het handhaven van de ketterplakkaten door de stad, moest wel tot problemen leiden. Op 20, 21 en 22 augustus gaf het stadsbestuur de katholieke geestelijken opdracht om hun waardevolle voorwerpen in veiligheid te brengen. Op 23 augustus toonden kooplieden op de Amsterdamse beurs stukjes marmer en albast van altaren in Antwerpen, waar de Beeldenstorm op 21 augustus had gewoed. De burgemeesters riepen de geestelijken nogmaals op de kostbaarheden in veiligheid te brengen. Toen zij dit deden tijdens de ochtendschaft, brachten handwerkers de verwijderde kostbaarheden weer terug naar de kerken. Bij de doop van een kind in de Oude Kerk die middag, kwam het tot een uitbarsting toen de kapelaan weigerde de dienst in landstaal te houden. De schout en stadswakers verloren de vechtpartij die ontstond, maar de schutterij herstelde de orde. De Dam werd afgeschermd, omdat de burgemeesters een aanval op het stadhuis vreesden. De burgemeesters vroegen raad aan drie vooraanstaande burgers van de stad. Twee van hen hadden nauwe contacten met de leidende vooraanstaande gereformeerden, en waren dus geschikt als onderhandelaars. De Oude Kerk werd zwaar beschadigd door de Beeldenstormers, maar de Nieuwe Kerk bleef gespaard, doordat "enige burgers" de stormers de toegang beletten. Het stadsbestuur vroeg Pauw, één van de onderhandelaars, een voorstel op te stellen, dat de orde weer zou herstellen. De artikelen die Pauw opstelde, waren concessies aan de gereformeerden; in de artikelen stond onder andere dat de beelden uit alle kerken gehaald zouden worden, de kerken zouden worden gesloten en buiten de stad zou gepreekt mogen worden. Op 27 augustus werden zes opperkapiteins uit de drie schutterijen benoemd om te kunnen bemiddelen tussen stadsbestuur en opstandigen. Op 26 september werd er echter opnieuw gestormd; de Nieuwe Kerk werd bestormd door een woedende massa mensen, die het niet eens was met de manier waarop de begrafenis van een hervormde vrouw moest verlopen, waarbij de wachters voor de kerk werden verdreven. De vroedschap had namelijk besloten dat alleen vijf familieleden de dienst mochten bijwonen, om zo te voorkomen dat er psalmen gezongen zouden worden. Enige burgers zorgden er wederom voor, dat de kerk gespaard bleef. Maar de massa was niet te stoppen, en rukte op naar het Minderbroedersklooster. De deuren werden versplinterd en in het inmiddels verlaten klooster werd alles kort en klein geslagen en de voedselvoorraad geplunderd. De volgende dag werd, na een tweede poging de Nieuwe Kerk te bestormen, het klooster van de kartuizers gezuiverd. De schout nam hierbij vier Beeldenstormers gevangen, maar hij moest ze vrijlaten toen een oploop ontstond. De burgemeester sneed hoogstpersoonlijk de gevangenen los, om zo de schout te hulp te komen. De Stormers gingen weer naar huis. Op 30 september werd een akkoord gesloten met de Beeldenstormers, waarin zij, op aandringen van de opperkapiteins, de Minderbroederskerk kregen toegewezen. De Minderbroederskerk was de prijs die het stadsbestuur moest betalen in ruil voor het herstel van rust en orde. |